ECLI:NL:CRVB:2018:3999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Betrokkene, geboren in 1996, vroeg op 1 oktober 2014 een Wajong-uitkering aan wegens gedrags- en aandachtstekortstoornissen. Het UWV wees de aanvraag af omdat betrokkene geen geldig identiteitsbewijs kon tonen en later omdat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. Betrokkene maakte bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidsdeskundige rapporten werden opgesteld die deels tegenstrijdige conclusies gaven over zijn arbeidsvermogen en de duurzaamheid daarvan.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 2:4 Wajong Pro 2010, waarmee hij recht heeft op een uitkering. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank het begrip arbeidsongeschiktheid onjuist had uitgelegd, met name ten aanzien van arbeid onder beschutte omstandigheden.
De Raad bevestigde dat het begrip 'volledig en duurzaam arbeidsongeschikt' ook arbeid onder beschutte omstandigheden omvat, en dat het UWV terecht artikel 2:4 Wajong Pro 2010 toepaste. Echter, het UWV had onvoldoende concreet onderbouwd waarom op de peildatum geen sprake kon zijn van duurzame arbeidsongeschiktheid, omdat de inschatting van de verzekeringsarts onvoldoende was gemotiveerd en te veel steunde op een psychologisch rapport dat niet specifiek op arbeidsparticipatie was gericht.
Daarom oordeelde de Raad dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Het UWV werd opgedragen binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, waarmee de procedure wordt voortgezet.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit binnen zes weken herstellen wegens onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering.