Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Bij de Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 582) is de Wet van 24 april 1997 met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd en is de tekst vernummerd. Volgens artikel 8:12 was Pro de citeertitel van de gewijzigde wet: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. De Raad duidt deze met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde wet aan als Wajong 2010.
9 oktober 2015 aan de hand van de FML vastgesteld dat appellante geen theoretische verdiencapaciteit heeft, omdat er geen functies te selecteren zijn.
16 januari 2015 gehandhaafd. Daaraan ligt het volgende standpunt ten grondslag. Gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is er geen sprake van een situatie waarin appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 2:15, tweede lid, van de Wajong 2010 kan de arbeidsondersteuning niet eerder ontstaan dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong, welke bepaling eerst op 1 januari 2015 met invoering van de Participatiewet in werking is getreden, geldt voor alle aanvragen ingediend na 10 september 2014 dat het recht niet kan ontstaan, tenzij de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong 2010. De aanvraag is ingediend op 7 oktober 2014. Omdat het recht niet eerder kan ontstaan dan op 27 februari 2015 (lees: 30 januari 2015, te weten zestien weken na 10 oktober 2014) kan het recht op arbeidsondersteuning niet ontstaan. Het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol) is verworpen, omdat appellante niet de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat zij op de datum in geding recht zou hebben op een
Wajong-uitkering.
.Uit de rechtspraak van de Raad omtrent de zogenoemde temporele werking komt naar voren dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde ten materiële dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2005, ECLI:CRVB:NL:2005:AU1544). Toegepast op de situatie van appellante moet de beoordeling van haar aanvraag dan ook plaatsvinden aan de hand van de Wajong 2010. Gelet op de temporele werking is het Uwv niet gehouden de aanvraag van appellante mede te beoordelen aan de hand van de criteria van Hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.
15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1408, waarnaar ook de rechtbank verwijst. Uit die rechtspraak komt naar voren dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde ten materiële moeten worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de Wajong 2015 geen regels van overgangsrecht bevat voor een situatie zoals hier aan de orde, te weten dat de aanvraag is gedaan vóór 1 januari 2015 en het besluit op die aanvraag is genomen na 1 januari 2015. Ook in de geschiedenis van totstandkoming van dit onderdeel van de Invoeringswet Participatiewet wordt niet gesproken over overgangsrecht.
2014.
1 januari 2015.
6 december 2013 is de citeertitel: Invoeringswet Participatiewet) de wetgever met de Wajong 2015 beoogd heeft de toegang tot de Wajong 2015 te beperken tot jonggehandicapten die duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikken. Hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 regelt dat een Wajong-uitkering alleen kan worden toegekend aan mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. In de Wajong 2010 is geen nieuwe instroom meer mogelijk. Mensen die wel arbeidsmogelijkheden hebben of die kunnen ontwikkelen, komen in de Wet werken naar vermogen en vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, nr. 3, blz. 34 e.v., Hoofdstuk 5 Wajong).
1 januari 2015.
30 september 2015. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven.
9 oktober 2015. In navolging van de arbeidsdeskundige heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat het niet mogelijk is om voor appellante functies te selecteren, omdat zij aangewezen is op intensieve begeleiding, die op voorhand niet van een werkgever verwacht kan worden, en het persoonlijk handelingstempo van appellante aanmerkelijk vertraagd is, waardoor zij niet in staat is om te voldoen aan de gebruikelijke productienormen. Appellante is daarom niet in staat om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.