ECLI:NL:CRVB:2018:4200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek wijziging bijstandsnorm naar gehuwden wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellant ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante, de moeder van het minderjarige kind, was niet gehuwd met appellant en had de Roemeense nationaliteit. Na een emigratie naar Roemenië en terugkeer naar Nederland verzocht appellant om wijziging van de bijstandsnorm naar gehuwden, wat door het college werd afgewezen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf van appellante.
De Raad oordeelde dat het college terecht het verzoek afwees omdat appellante geen verblijfsrecht ontleende aan het gemeenschapsrecht en dat het college niet onzorgvuldig handelde door geen aanvullend overleg met de IND te voeren. De Raad benadrukte dat het aan appellanten was om een herziening van het vreemdelingenrechtelijke besluit aan te vragen.
Beroepen op de hardheidsclausule en het EVRM werden verworpen omdat deze niet van toepassing zijn op vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Ook was er geen sprake van een bijzondere situatie die individuele afstemming van de bijstand rechtvaardigde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om wijziging van de bijstandsnorm naar gehuwden is terecht afgewezen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf van appellante.