ECLI:NL:CRVB:2018:455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering extra tegemoetkoming voor alleenverdieners met gehandicapt kind
Appellant en zijn partner ontvingen in 2014 een bijstandsuitkering en vroegen een extra tegemoetkoming op grond van de Regeling TOG voor hun gehandicapte kind. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende aanvankelijk een voorschot toe, maar weigerde later de extra tegemoetkoming omdat het gezamenlijke inkomen hoger was dan de toegestane grens van € 4.814,-.
Appellant voerde aan dat de regeling onredelijk en willekeurig was en in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat de regeling bedoeld is ter compensatie van alleenverdieners die financieel achterblijven door belastingmaatregelen en dat aansluiting bij de inkomensgrens uit de Wet IB 2001 gerechtvaardigd is.
De Raad stelde vast dat appellant niet voldeed aan de inkomensvoorwaarde en dat er geen sprake was van een gerechtvaardigde verwachting op de extra tegemoetkoming. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van ontneming van eigendom of discriminatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de extra tegemoetkoming wegens overschrijding van de inkomensgrens zonder strijd met het EVRM.