De appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2013 van het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor keurde de verantwoording van de besteding over de eerste helft van 2013 af vanwege het ontbreken van facturen en nota’s. Bij besluit werd het pgb lager vastgesteld en een terugvordering opgelegd. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de appellant ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Zorgkantoor met de afwijzing van de verantwoording een buitenwettelijke beslissing had genomen, waardoor de eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd. De Raad beoordeelde het beroep tegen het vaststellingsbesluit van 8 oktober 2014 en concludeerde dat appellant niet voldeed aan de verantwoordingplicht omdat geen facturen waren overgelegd en de bankafschriften onvoldoende inzicht boden.
Het Zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen en de terugvordering te doen. De Raad vond dat het Zorgkantoor een evenredige belangenafweging had gemaakt en dat het beroep ongegrond was. De Raad veroordeelde het Zorgkantoor tot vergoeding van de proceskosten van appellant.