ECLI:NL:CRVB:2018:582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over verwijtbare werkloosheid en voortvarendheid ontslagprocedure belastingambtenaar
Appellante, werkzaam bij de Belastingdienst, werd op 6 augustus 2015 ontslagen wegens plichtsverzuim door het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over 2012 en 2013. Dit ontslag werd door de rechtbank Amsterdam en de Centrale Raad van Beroep bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat appellante niet voldeed aan haar fiscale verplichtingen en daarmee handelde in strijd met de integriteitscode van de Belastingdienst.
Het UWV stelde vast dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden en weigerde uitbetaling van de WW-uitkering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar aangiften niet onjuist waren, dat zij de correcties had geaccepteerd en dat de integriteitscode geen verhoogde zorgvuldigheid voor belastingambtenaren voorschrijft. De Raad verwierp deze argumenten en bevestigde dat het plichtsverzuim ernstig was en het ontslag proportioneel.
Echter, de Raad constateerde dat het UWV onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd of de staatssecretaris voortvarend had gehandeld bij het ontslagproces. De procedure kende een stilstand tussen maart en juni 2015 zonder duidelijke onderbouwing van onderzoek of genomen stappen. Daarom droeg de Raad het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met een nadere motivering over de voortvarendheid van het ontslag.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en tijdige ontslagprocedure, ook bij ambtenaren, en bevestigt dat verwijtbare werkloosheid kan worden aangenomen bij ernstig plichtsverzuim, mits het ontslag adequaat is uitgevoerd.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit over de voortvarendheid van het ontslag nader motiveren en onderbouwen, waarna het besluit kan worden gehandhaafd of de WW-uitkering alsnog toegekend.