Appellant ontving sinds 6 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Naar aanleiding van een melding startte het Uwv een onderzoek waarin appellant verklaarde vanaf december 2013 werkzaamheden te verrichten zonder dit te melden. Het Uwv herzag de uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was en dat de schatting van het inkomen op €300 per maand redelijk was. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onrechtmatig was, dat het Uwv een te hoog inkomen had vastgesteld en dat de boete niet was aangepast aan zijn draagkracht.
De Raad oordeelde dat het Uwv bevoegd was tot het onderzoek en dat de verklaring van appellant rechtsgeldig was. Het Uwv mocht het inkomen schatten bij gebrek aan concrete gegevens. De boete was terecht opgelegd maar werd verlaagd van €1.401,67 naar €557,65 vanwege draagkracht. De herziening en terugvordering van de uitkering werden bevestigd, het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en het Uwv veroordeeld in de proceskosten.