ECLI:NL:CRVB:2018:72
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ, maar het Zorgkantoor keurde de verantwoording af en stelde het pgb vast op nihil, met terugvordering van het bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond wegens niet-naleving van administratieve verplichtingen en onvoldoende bewijs dat de zorg AWBZ-zorg betrof.
In hoger beroep stelde appellant dat de zorg AWBZ-zorg was en verwees naar diverse rapportages en een zorgplan. Hij voerde aan dat discrepanties in de administratie hem niet konden worden verweten vanwege zijn kwetsbaarheid en het beheer van zijn financiën door een derde. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld omdat appellant niet voldeed aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ.
De Raad benadrukte dat het Zorgkantoor zijn bevoegdheid tot vaststelling van het pgb met een evenredige belangenafweging moet uitoefenen en concludeerde dat de aangeleverde informatie onvoldoende concreet was om vast te stellen dat alle gefactureerde zorg AWBZ-zorg was. De terugvordering van het bedrag door het Zorgkantoor was daarom gegrond. Het beroep tegen het besluit van 17 maart 2015 werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden aan het Zorgkantoor opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het pgb op nihil en terugvordering van het bedrag wordt ongegrond verklaard.