ECLI:NL:CRVB:2018:871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat brief beëindiging pgb huishoudelijke hulp een besluit is en inhoudelijke beslissing op bezwaar vereist
Betrokkene ontving jarenlang een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Met de brief van 30 december 2014 maakte appellant definitief een einde aan deze langdurige rechtsverhouding en stelde betrokkene vanaf 1 januari 2015 zelf huishoudelijke hulp te moeten inkopen.
Betrokkene maakte bezwaar tegen het niet meer ontvangen van het pgb, maar dit werd door appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de brief wel een besluit is en dat het bezwaar niet tijdig was ingediend, maar dat dit verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid en het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat de brief van 30 december 2014 een besluit is dat de rechtsverhouding wijzigt en gericht is op rechtsgevolg. Het bezwaar is verschoonbaar te laat ingediend. Appellant moet alsnog een inhoudelijke beslissing op het bezwaar nemen, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de laatste toekenning van drie uur per week huishoudelijke hulp onder de Wmo.
Daarnaast veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene en legt griffierecht op.
Uitkomst: De brief van 30 december 2014 is een besluit; het bezwaar is verschoonbaar te laat ingediend en appellant moet alsnog inhoudelijk op bezwaar beslissen.