ECLI:NL:CRVB:2018:999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Werkneemster was sinds 2009 ziek gemeld vanwege artrose en fibromyalgie en ontving een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,02%. Na een toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2013 werd dit vastgesteld op 100%, maar bij een latere melding in 2014 bleef de uitkering ongewijzigd omdat het UWV oordeelde dat geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Appellante stelde dat werkneemster recht had op een IVA-uitkering vanwege blijvende beperkingen, met name in hand- en vingergebruik. De rechtbank stelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de beperkingen niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden, maar na aanvullend onderzoek concludeerde de rechtbank dat de beperkingen niet volledig en duurzaam waren.
In hoger beroep betoogde appellante dat de beperkingen ten onrechte niet volledig waren meegenomen, vooral met betrekking tot knijp- en grijpkracht. De Raad oordeelde dat de geselecteerde functies geen belasting op deze aspecten kennen of dat de belasting niet frequent en zwaar genoeg is om tot volledige arbeidsongeschiktheid te leiden. Nieuwe medische gegevens na de datum in geschil mochten niet worden betrokken.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 80% bedraagt, waardoor geen recht op een IVA-uitkering bestaat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkneemster niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is per 3 mei 2014 en daarom geen recht heeft op een IVA-uitkering.