Uitspraak
OVERWEGINGEN
,zoals ook de rechtbank heeft overwogen, echter niet meer dan een blote stelling en het is onduidelijk op welke gegevens dit is gebaseerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg op 1 juni 2015 een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd toegekend voor de duur van drie maanden. Dit besluit werd aangevochten omdat appellante meende dat zij in vier van de vijf relevante kalenderjaren meer dan 52 dagen loon had genoten, waardoor zij recht zou hebben op een verlengde WW-uitkering.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat het UWV terecht de polisadministratie als uitgangspunt nam, waaruit bleek dat appellante in 2011 slechts 44 dagen loon had ontvangen. De door appellante overgelegde verklaring van haar ex-werkgever was onvoldoende onderbouwd om hiervan af te wijken. Ook het jaar 2010 werd niet meegeteld omdat haar zoon toen nog niet was geboren, conform vaste jurisprudentie.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen en verwees naar gewijzigde wetgeving over verzorgingsjaren. De Raad concludeerde echter dat deze wijzigingen niet zien op de uitleg van artikel 42a WW en onderschreef de eerdere oordelen. De verklaringen van medewerkers van de ex-werkgever boden geen aanleiding tot afwijking van de polisadministratie.
De Raad bevestigde dat appellante niet voldoet aan de vier-uit-vijf-eis en dat de WW-uitkering terecht op drie maanden is vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de duur van de WW-uitkering blijft drie maanden.