Uitspraak
21.3514 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1953, maakte bezwaar tegen de verhoging van de AOW-leeftijd waardoor hij pas op 66 jaar en vier maanden AOW ontvangt, terwijl hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering had tot zijn 65ste. Hij stelde dat deze wetswijziging een onevenredig zware last en discriminatie opleverde en vorderde schadevergoeding.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende appellant een overbruggingsuitkering toe en voerde een individueel feitenonderzoek uit waarbij zijn inkomens- en vermogenspositie tijdens het AOW-gat werden beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant voldoende gecompenseerd was en geen sprake was van een schrijnende situatie of verboden discriminatie.
De Raad benadrukte dat de inkomensterugval door het wegvallen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering onvermijdelijk was en dat appellant gedurende het AOW-gat beschikte over een inkomen uit overbruggingsuitkering, winst uit onderneming en een bedrijfstakpensioen. De verkoop van zijn bedrijfsgebouw en het staken van zijn onderneming waren financiële keuzes die niet leiden tot een onevenredig zware last.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde dat de verhoging van de AOW-leeftijd een proportionele inmenging in het eigendomsrecht is, waarbij de overbruggingsregeling een passende compensatie biedt. Ook werd geen sprake geacht van verboden discriminatie op grond van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.