ECLI:NL:CRVB:2019:1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsparticipatie jonggehandicapte na onvoldoende onderbouwing
In deze zaak stond centraal of appellante duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De Raad verwees naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd geoordeeld dat het UWV onvoldoende onderbouwing had gegeven voor haar inschatting van de arbeidsparticipatiemogelijkheden van appellante.
Het UWV heeft vervolgens nieuwe rapporten van een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts ingediend, waarin op inzichtelijke wijze werd geconcludeerd dat verdere ontwikkeling van het vermogen om met continuïteit te functioneren bij appellante mogelijk is. De arbeidsdeskundige gaf aan dat appellante eenvoudige, fysiek lichte taken met mondelinge instructies kan uitvoeren, en de verzekeringsarts stelde dat behandeling van haar stemmingsstoornis en angstverschijnselen een verbetering van haar belastbaarheid kan bewerkstelligen.
De Raad oordeelde dat de gebreken in het eerdere besluit waren hersteld en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat er mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn. De aangevallen uitspraak werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.