ECLI:NL:CRVB:2022:1936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en zorgvuldigheid medisch onderzoek bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd wegens toegenomen klachten zoals artrose, carpaal tunnel syndroom en duizeligheidsklachten. Het UWV heeft deze aanvragen afgewezen omdat de beperkingen niet significant waren toegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de medische rapporten geen aanwijzingen gaven voor zwaardere beperkingen.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat haar beperkingen wel waren toegenomen, onder meer door een expertiserapport van een verzekeringsarts. Het UWV nam een gewijzigd besluit waarin het toegenomen arbeidsongeschiktheid erkende maar de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek in bezwaar zorgvuldig was, ook zonder spreekuurcontact, omdat de verzekeringsarts voldoende kon motiveren waarom dit niet nodig was. Het oordeel van de onafhankelijke deskundige Greveling-Fockens wordt gevolgd, die de beperkingen adequaat heeft vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van november 2021. De Raad ziet geen reden om de geschiktheid van de geduide functies voor arbeid te betwijfelen.
De Raad vernietigt het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante. Tevens moet het UWV het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 4 juli 2019 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; het beroep tegen het besluit van 26 november 2021 wordt ongegrond verklaard.