ECLI:NL:CRVB:2019:2006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstandsverlening
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en werden onderzocht vanwege vermoedelijke werkzaamheden bij een autobedrijf zonder melding daarvan aan het college. Na onderzoek en meerdere waarnemingen stelde het college vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en legde een boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten het bewijs, met name het gebruik van verklaringen zonder voorafgaande cautie. De Raad oordeelde dat ondanks het ontbreken van cautie de verklaringen samen met andere bewijsmiddelen voldoende waren om de schending aan te tonen.
De Raad overwoog verder dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, ook als hobby of vriendendienst, relevant is voor het recht op bijstand. Gelet op de verminderde verwijtbaarheid en draagkracht werd de boete vastgesteld op €825,11. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De boete van €825,11 wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.