Uitspraak
18.3765 WMO15-PV
18/3051 WMO15, 18/3686 WMO15 en 18/2871 WMO15 plaatsgevonden.
BESLISSING
Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraken.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees dit verzoek af omdat appellant geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, verwijzend naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
In hoger beroep betoogde appellant dat beschermd wonen een medisch noodzakelijke zorg betreft waarop ook vreemdelingen aanspraak zouden moeten kunnen maken. Hij stelde dat het college de benodigde zorg op grond van de Wmo 2015 moet bieden, aangezien de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beschermd wonen niet aanbiedt en het college de toegang tot zorgaanbieders blokkeert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Zoals in eerdere uitspraken is vastgesteld, kan een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. De Raad zag geen aanleiding om hiervan af te wijken en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft en daardoor geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo 2015.