ECLI:NL:CRVB:2019:2750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding onroerend goed en niet-inleveren bankafschriften
Appellant ontving sinds 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Een onderzoek van de gemeente Tilburg bracht aan het licht dat appellant onroerend goed in Turkije bezat, wat niet was gemeld. Tevens leverde appellant niet tijdig gevraagde bankafschriften aan.
Het college schortte de bijstand op en trok deze later in op grond van artikel 54 WWB Pro vanwege het niet verstrekken van relevante gegevens. Appellant voerde aan dat hij de woning van zijn vader had gekregen en niet wist dat melding verplicht was, en dat de waardevaststellingen van de onroerende zaken een recht op bijstand zouden rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het bezit en de verkoop van onroerend goed relevant zijn voor de bijstandverlening en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De waardevaststellingen waren onvoldoende om het recht op bijstand vast te stellen voor de gehele periode. De verkoopbedragen waren niet aantoonbaar marktconform en de bankafschriften ontbraken.
Daarom kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was intrekking en terugvordering terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van onroerend goed en niet-inleveren van bankafschriften wordt bevestigd.