ECLI:NL:CRVB:2019:2816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen boven grens en maatregel wegens tekortschietend besef
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Na een melding dat zij een bedrag van €41.178,- uit Rusland had ingevoerd, stelde de gemeente Rotterdam een onderzoek in. Hieruit bleek dat appellante de opbrengst van een woningverkoop op haar naam had gestort en dit bedrag vrijwel volledig had belegd. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug over de periode dat zij beschikte over vermogen boven de toegestane grens. Tevens werd een maatregel opgelegd vanwege het snel verspelen van het vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat zij niet over het vermogen kon beschikken omdat het bestemd was voor de opname van haar vader in een privékliniek en dat bijschrijvingen leningen betroffen. De Raad oordeelde dat beschikken over vermogen betekent dat men het feitelijk kan aanwenden voor noodzakelijke kosten, ongeacht morele bezwaren of bestemming.
Ook de stelling dat de maatregel een punitief karakter had, werd verworpen. De maatregel is bedoeld om gedragsverbetering te stimuleren en niet om opzettelijk leed toe te brengen. De Raad concludeerde dat appellante inderdaad beschikte over het vermogen en dat de maatregel terecht is opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de maatregel wegens tekortschietend besef worden bevestigd.