ECLI:NL:CRVB:2017:2342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- A.I. van der Kris
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens vermeende te hoge uitkering
Appellante was sinds 29 juli 2009 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na het melden van deeltijdwerk en het aanleveren van loonstroken heeft het UWV haar uitkering herzien en een terugvordering en boete opgelegd. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarna correctiebesluiten werden genomen die de oorspronkelijke besluiten deels introkken en aanpasten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het UWV de boete heeft laten vervallen en dat de herziening en terugvordering niet gerechtvaardigd waren. De Raad vond dat appellante, gezien haar psychische gesteldheid, de complexe min/max-arbeidsovereenkomst en de gebrekkige ondersteuning door het UWV, niet redelijkerwijs kon begrijpen dat zij te veel uitkering ontving.
De Raad oordeelde dat het UWV niet bevoegd was om de uitkering met terugwerkende kracht te herzien en dat een terugvordering niet aan de orde was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en alle primaire en correctiebesluiten herroepen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering wordt vernietigd.