ECLI:NL:CRVB:2019:3737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na schadevergoeding verkeersongeval
Appellante ontvangt sinds 1999 bijstand en kreeg na een verkeersongeval in 2010 een schadevergoeding van € 41.500,-. Het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland vorderde een deel van de bijstand terug over de periode vanaf het ongeval, waarbij een deel van de schadevergoeding als middelen werd meegeteld en een deel werd vrijgelaten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond.
Appellante stelde dat de gehele schadevergoeding buiten beschouwing moest blijven, omdat zij aannemelijk had gemaakt dat de kosten waarvoor de vergoeding was toegekend daadwerkelijk gemaakt zouden worden. Het college hield echter rekening met toekomstige kosten en mogelijke voorliggende voorzieningen zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De Raad oordeelde dat het college een terughoudende toets hanteert en dat het standpunt van het college voldoende gemotiveerd en in overeenstemming met vaste rechtspraak is.
De Raad verwierp de bezwaren van appellante, waaronder het betoog dat het college zonder deskundigenadvies niet mocht toetsen en dat zij recht zou hebben op volledige vrijlating van de vergoeding voor huishoudelijke hulp en tuinonderhoud. De Raad bevestigde dat het college terecht 60% van het smartengeld vrijliet en dat het beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand waarbij een deel van de schadevergoeding als middelen is meegeteld en een deel is vrijgelaten.