ECLI:NL:CRVB:2019:3784

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2019
Publicatiedatum
28 november 2019
Zaaknummer
18/6265 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55aa BarpArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8:88 Awb
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit korpschef over ontheffing werkzaamheden en nieuwe beslissing op bezwaar

Betrokkene, werkzaam als Operationeel Expert GGP, vroeg ontheffing van werkzaamheden aan op grond van de 18-maandenregeling. De korpschef wees de aanvraag af omdat er sprake was van een overbezetting op de peildatum 1 juni 2017. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de korpschef een nieuw besluit nam dat opnieuw werd afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de korpschef bij het oorspronkelijke en het nadere besluit de aanvraag had moeten beoordelen naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017. De motivering van het nadere besluit voldeed niet aan de maatstaven zoals vastgesteld in eerdere uitspraken van juli 2019. Daarom vernietigde de Raad het nadere besluit en beval een nieuwe beslissing op bezwaar.

Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat niet vaststaat of en in welke omvang schade is geleden. De Raad bepaalde tevens dat een beroep tegen de nieuwe beslissing uitsluitend bij de Raad kan worden ingesteld. Tot slot werd de korpschef veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het besluit van de korpschef wordt vernietigd en de korpschef moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met beoordeling op de peildatum 1 juni 2017.

Uitspraak

18.6265 AW, 18/6523 AW

Datum uitspraak: 28 november 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2018, 18/344 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
de korpschef van politie (korpschef)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. drs. P.W. Kuijper een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft hierop een zienswijze gegeven.
De korpschef heeft op 22 oktober 2018 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit). Betrokkene heeft hierop gereageerd en verzocht om vergoeding van schade.
Bij brief van 21 augustus 2019 heeft de korpschef het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 oktober 2019. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en C. Krooder-Tammer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kuijper. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende deze hoger beroepen verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573).
1.2.
Betrokkene was werkzaam als Operationeel Expert GGP bij de eenheid [eenheid] . Hij heeft op 24 augustus 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18‑maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.
1.3.
Bij brief van 16 december 2016, aangevuld bij brief van 3 maart 2017, is aan betrokkene medegedeeld dat zijn aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juli 2017 gegrond verklaard. Hierbij is medegedeeld dat alsnog inhoudelijk op de aanvraag van betrokkene wordt beslist.
1.4.
Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van een overbezetting van 0,28 fte. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 december 2017 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen.
3. Betrokkene heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Bij het nadere besluit van 22 oktober 2018 heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de functie van betrokkene geen passende plek is voor een van de 24 herplaatsingskandidaten. Nu met het nadere besluit niet aan de bezwaren van betrokkene is tegemoet gekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Incidenteel hoger beroep
5.1.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb ex nunc heeft beslist. Deze beroepsgrond slaagt. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18 juli 2019 het uitgangspunt onderschreven dat alle aanvragen op gelijke wijze worden beoordeeld en het niet onredelijk geacht dat daarvoor een peildatum wordt gehanteerd. Geoordeeld is da de peildatum van 1 juni 2017 de rechterlijke toets kan doorstaan. Dit betekent dat de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden ook bij het bestreden besluit had dienen te beoordelen naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017.
5.2.
Uit wat in 5.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb ex nunc heeft beslist.
Nader besluit
5.3.
De korpschef heeft ter zitting erkend dat bij het nadere besluit niet de situatie op de peildatum 1 juni 2017 is beoordeeld en dat de motivering van het nadere besluit niet voldoet aan de in de uitspraken van 18 juli 2019 gegeven maatstaven. De korpschef zal conform de in die uitspraken gegeven maatstaven onderzoeken of op de peildatum 1 juni 2017 een herplaatsingskandidaat op de plek van betrokkene kon worden geplaatst en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Reeds hierom dient het beroep tegen het nadere besluit gegrond te worden verklaard en komt het nadere besluit voor vernietiging in aanmerking. De korpschef dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een beroep tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
5.4.
Over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door betrokkene schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding mede ter beoordeling voorligt bij de nadere besluitvorming.
6. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.280,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb ex nunc heeft beslist;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2018 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
€ 1.280,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.
(getekend) C.H. Bangma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.