ECLI:NL:CRVB:2019:636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens andere ziekteoorzaak bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als zorgverlener en meldde zich in 2012 ziek met rugklachten. Per 28 oktober 2014 werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Na een periode van ziekte en uitkeringen meldde zij zich in januari 2016 opnieuw ziek vanwege verslechterde gezondheid door maagklachten.
Het UWV stelde vast dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als tijdens de wachttijd, omdat de maagklachten niet waren meegenomen in de eerdere functionele mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij haar standpunt niet met medische stukken had onderbouwd.
In hoger beroep betoogde appellante dat de maagklachten wel verband hielden met de rugklachten en dat zij daardoor toegenomen arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde echter dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan die tijdens de wachttijd, waardoor geen recht op een WIA-uitkering bestaat.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij werd gewezen op vaste rechtspraak dat alleen toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak recht geeft op een WIA-uitkering zonder wachttijd.
De beslissing werd genomen door B.M. van Dun op 27 februari 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere ziekteoorzaak.