ECLI:NL:CRVB:2019:692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door verhoging AOW-leeftijd en toetsing OBR-voorwaarden
Betrokkene, geboren in 1952, werd in 2008 werkloos en ontving een stamrechtuitkering tot zijn 65ste. Hij vroeg in 2017 zijn AOW-pensioen en een overbruggingsuitkering aan, waarbij de Svb de overbruggingsuitkering weigerde vanwege te hoog inkomen. Betrokkene maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van zijn AOW en de afwijzing van de overbruggingsuitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit over de AOW-ingangsdatum wegens onvoldoende individueel feitenonderzoek door de Svb, die zich enkel baseerde op de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). De Svb voerde in hoger beroep aan dat zij inmiddels ook de inkomens- en vermogenspositie tijdens het AOW-gat meeneemt in haar beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de enkele toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende is als individueel feitenonderzoek, maar erkent dat de Svb inmiddels een uitgebreidere toetsing toepast. De Raad sluit zich aan bij de conclusie dat betrokkene geen onevenredig zware last draagt, mede omdat hij een inkomen boven het bestaansminimum had en zich vanaf 2012/2013 op de AOW-leeftijdsverhoging kon voorbereiden.
De Raad bevestigt de vernietiging van het besluit door de rechtbank, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat de Svb in hoger beroep een zorgvuldige beoordeling heeft gedaan. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat geen sprake is van een onevenredig zware last en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.