ECLI:NL:CRVB:2020:1767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door verhoging AOW-leeftijd en individueel feitenonderzoek
Appellant, geboren in 1951, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om een ouderdomspensioen per 2016, maar dit werd afgewezen omdat hij zijn AOW-leeftijd nog niet had bereikt. Hij stelde dat de verhoging van de AOW-leeftijd met negen maanden leidde tot een onevenredig zware last, wat een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht zou zijn.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de Svb omdat het individuele feitenonderzoek onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn inkomen tijdens het AOW-gat lager was dan zijn vaste lasten en dat hij zijn lijfrente had moeten aanspreken, wat extra fiscale lasten veroorzaakte.
De Svb voerde een hernieuwd onderzoek uit en concludeerde dat er geen sprake was van een onevenredig zware last veroorzaakt door de verhoging van de AOW-leeftijd. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellant geen terugval in inkomen had als gevolg van de AOW-verhoging, maar dat de financiële situatie vooral samenhing met eerdere inkomensdalingen en hoge vaste lasten.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarbij werd benadrukt dat een individu zijn vermogensbestanddelen mag aanwenden om een inkomensgat te overbruggen. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 augustus 2020.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens de verhoging van de AOW-leeftijd wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd in de rechtsgevolgen.