ECLI:NL:CRVB:2020:1772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door verhoging AOW-leeftijd en ingangsdatum ouderdomspensioen
Betrokkene verzocht om herziening van het besluit tot toekenning van zijn ouderdomspensioen vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd, omdat hij financieel nadeel zou ondervinden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, waarbij zij concludeerde dat er geen sprake was van een onevenredig zware last, mede omdat het gezinsinkomen boven de bijstandsnorm lag.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering over de toetsing van de onevenredige last. In hoger beroep heeft de Raad dit oordeel deels herzien. Voor de periode tot 29 juni 2016 oordeelt de Raad dat de Svb terecht geen nieuwe feiten heeft aangenomen en het beroep ongegrond is. Voor de periode vanaf 29 juni 2016 tot de ingangsdatum van het pensioen bevestigt de Raad het bestreden besluit, omdat de financiële situatie van betrokkene en zijn partner niet zodanig schrijnend was dat sprake is van een onevenredig zware last.
De Raad benadrukt dat het gezinsinkomen, gerelateerd aan het bestaansminimum, passend is binnen de systematiek van de AOW. De Svb heeft een deugdelijk individueel feitenonderzoek verricht en de rechtbank heeft ten onrechte het besluit vernietigd voor de periode tot 29 juni 2016. De Raad veroordeelt de Svb tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard voor de periode tot 29 juni 2016 en het bestreden besluit wordt bevestigd voor de periode vanaf 29 juni 2016.