ECLI:NL:CRVB:2019:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies
Appellant was sinds 1992 werkzaam als gapleader en meldde zich in 2013 ziek vanwege armklachten. Na een WIA-aanvraag in 2014 stelde het UWV beperkingen vast, maar concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een uitkering. Appellant maakte bezwaar, waarna aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en een door de Raad benoemde psychiater concludeerden dat er geen psychische arbeidsbeperkingen waren en dat de fysieke beperkingen niet zodanig waren dat een uitkering gerechtvaardigd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige voldoende had onderbouwd dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over lichamelijke en psychische beperkingen, ondersteund door rapporten van een psychotherapeut en psychiater, maar leverde geen nieuwe medische informatie aan die tot een ander oordeel zou leiden.
De Raad volgde het deskundigenrapport dat stelde dat er sprake was van een hernia zonder psychiatrische stoornis en dat de klachten verklaard konden worden door fysieke aandoeningen en psychosociale spanningen. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de functie van chauffeur personenbusje passend was, ondanks enkele fysieke belastingen. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep, waardoor appellant geen recht op WIA-uitkering heeft en geen schadevergoeding wordt toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering.