ECLI:NL:CRVB:2019:706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wegens reeds voorziene kosten
Appellanten ontvingen een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Zij vroegen bijzondere bijstand aan voor contactlenzen en uitvaartkosten van de moeder van appellante. Het college wees deze aanvragen af, omdat voor contactlenzen een voorliggende voorziening bestond en de uitvaartkosten al waren voldaan vóór de aanvraag. Tevens was de aanvraag voor de uitvaartkosten ouder dan zes maanden, wat volgens het beleid een afwijzingsgrond is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep richtten appellanten zich alleen op de uitvaartkosten en stelden dat deze kosten niet voorzienbaar waren en dat zij zich in financiële onmacht bevinden. Zij beroepen zich op artikel 16 PW Pro vanwege dringende persoonlijke omstandigheden.
De Raad oordeelde dat bijzondere bijstand in principe niet wordt toegekend voor kosten die al voldaan zijn vóór de aanvraag. Het college handelde conform het buitenwettelijk begunstigend beleid dat terugwerkende kracht tot zes maanden toestaat, maar de aanvraag was meer dan een jaar na de kosten gemaakt. De bijzondere omstandigheden van appellanten spelen hierbij geen rol. Daarnaast is artikel 16 PW Pro niet van toepassing omdat appellanten binnen de doelgroep van de Participatiewet vallen en geen aanspraak kunnen maken op bijzondere bijstand op die grond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt bevestigd omdat de kosten al voldaan waren en de aanvraag te laat werd ingediend.