ECLI:NL:CRVB:2020:2205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over boete schending inlichtingenplicht WW-uitkering
Appellant ontving vanaf 1 december 2011 een WW-uitkering die per 1 april 2013 werd beëindigd. Het UWV legde hem bij besluit van 3 december 2013 een boete van €8.848,81 op wegens het niet melden van werkzaamheden in de betreffende periode. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit boetebesluit, waardoor het in rechte vaststond.
In 2016 verzocht appellant om herziening van het boetebesluit, maar dit verzoek werd door het UWV afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onjuist had gehandeld door de boete niet te verlagen volgens de interne beleidsregels en dat een knip per 1 januari 2013 toegepast had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en dat de boete conform de vuistregeluitspraken tot 50% van het benadelingsbedrag verlaagd mocht worden, namelijk €4.424,40. De Raad vernietigt het eerdere besluit van het UWV en verklaart het beroep gegrond, maar verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de kosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en de boete verlaagd tot €4.424,40 conform de vuistregeluitspraken.