Appellant had gemeld dat zijn beenklachten waren toegenomen, waarna het UWV een medisch onderzoek in Thailand liet uitvoeren. Het UWV besloot op 1 mei 2018 dat de WAO-uitkering niet werd herzien vanwege een nog niet verstreken wachttijd van 104 weken. Na bezwaar en aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek werd het recht op WAO-uitkering op 14 september 2018 ongewijzigd vastgesteld met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het besluit van 1 mei 2018 een besluit in de zin van de Awb is en dat het UWV aan de uitspraak had voldaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit geen inhoudelijke beoordeling bevatte, dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat het besluit van 1 mei 2018 wel degelijk een besluit is en dat het medisch onderzoek door dr. N. Walters en de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig was. De arbeidsdeskundige had passende voorbeeldfuncties vastgesteld en de arbeidsongeschiktheid correct ingeschat. De Raad verwierp de bezwaren van appellant en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij het UWV geen dwangsom verschuldigd is en appellant geen proceskostenvergoeding krijgt.