ECLI:NL:CRVB:2020:2449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhoging WIA-uitkering bij PGB voor persoonlijke verzorging en verpleging
Betrokkene ontving vanaf 2015 een WIA-uitkering, die vanaf 2016 werd omgezet in een IVA-uitkering. Op 17 maart 2017 verzocht betrokkene om verhoging van de uitkering wegens hulpbehoevendheid. Het UWV wees dit aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond en verhoogde de uitkering tot 85%, niet tot 100%, omdat betrokkene een persoonsgebonden budget (PGB) ontving dat in belangrijke mate voorziet in verzorging en verpleging.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of het PGB substantieel in de behoefte aan verzorging voorzag en gaf betrokkene gelijk. Het UWV stelde in hoger beroep dat het PGB passend was en verwees naar beleidsregels en eerdere uitspraken van de Raad. Betrokkene voerde incidenteel hoger beroep aan dat hij recht had op een verhoging tot 100% vanwege zijn hulpbehoevendheid.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had onderzocht dat betrokkene een PGB ontving dat in belangrijke mate voorziet in verzorging en verpleging en dat er geen medische noodzaak was voor constante oppassing. De keuze van betrokkene om genoegen te nemen met een mogelijk ontoereikend PGB kan niet worden afgewenteld op de Wet WIA. Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen en de eerdere uitspraken worden vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen; het besluit van 7 december 2017 blijft in stand.