Uitspraak
18.4649 AW
16 juli 2018, 17/5738 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1994 in dienst bij de politie en werd sinds 2005 ingezet als [naam functie] bij een politieteam. Vanaf 2007 werd hij herhaaldelijk aangesproken op het onjuist verwerken van niet-gewerkte uren in het urenregistratiesysteem BVCM. In 2011 kreeg appellant een waarschuwing dat hij voortaan toestemming moest vragen voor het eerder beëindigen van diensten en zijn uren correct moest verantwoorden.
In maart 2016 legde de korpschef appellant wegens plichtsverzuim een voorwaardelijk strafontslag op, nadat bleek dat appellant op meerdere dagen uren als gewerkt had geregistreerd terwijl hij verlof had. In 2016 stelde de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten een nieuw onderzoek in naar wederom onjuiste urenregistratie door appellant op 11, 12 en 13 april 2016.
De korpschef legde het voorwaardelijke strafontslag ten uitvoer en ontsloeg appellant met onmiddellijke ingang. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat appellant terecht was aangesproken en dat het eerder naar huis gaan niet kon worden gerechtvaardigd als een afdelingcultuur van sociaal aflossen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en verwierp het hoger beroep, waarbij werd benadrukt dat appellant verantwoordelijk bleef voor zijn eigen gedrag en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad bevestigde dat de korpschef bevoegd was tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om daarvan af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag van appellant wegens onjuiste urenverantwoording en plichtsverzuim wordt bevestigd.