Uitspraak
17.3751 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen. Het UWV wees dit af omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht. Na bezwaar en beroep bevestigde het UWV dit standpunt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was, mede op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het ontbreken van arbeidsvermogen wel duurzaam moest worden geacht omdat na jarenlange behandelingen geen resultaat was behaald en de laatste behandeling bij De La Salle was afgebroken. De Raad volgde dit betoog niet omdat deze ontwikkelingen zich na de datum in geding voordeden en de prognose op die datum juist was.
De Raad bevestigde dat het UWV het beoordelingskader van het Compendium Participatiewet correct had toegepast en dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een concrete en deugdelijke afweging hadden gemaakt van de feiten en omstandigheden op de datum in geding. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.