ECLI:NL:CRVB:2020:867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
6 april 2020
Zaaknummer
17/6861 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 120 GrondwetArtikel 7a AOWArtikel 1 Eerste Protocol EVRMArtikel 14 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging besluit AOW-leeftijd en toetsing leeftijdsdiscriminatie

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij zijn bezwaar tegen de verhoging van de AOW-leeftijd werd afgewezen. De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten, omdat appellant geen onevenredig zware last droeg en geen financiële problemen had.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel is en niet leidt tot een schending van het discriminatieverbod uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Raad is niet bevoegd om de bepalingen van de AOW aan artikel 1 van Pro de Grondwet te toetsen.

Appellant stelde dat de verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie en schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, maar deze gronden zijn verworpen. De Raad bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Er is geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

17/6861 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
22 september 2017, 17/1489 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 26 maart 2020
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is – met bericht van verhindering – niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 6 april 2016 heeft de Svb aan appellant, geboren [in] 1951, een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend vanaf
6 augustus 2016.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 15 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 april 2016 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant door de verhoging van de AOW-leeftijd met in zijn geval zes maanden geen onevenredig zware last heeft te dragen omdat hij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). De Svb meent verder dat appellant niet de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat hij vanaf de leeftijd van 65 jaar een ouderdomspensioen zou ontvangen, omdat er geen concrete toezegging over de AOW-leeftijd is gedaan. Voorts is geen sprake van leeftijdsdiscriminatie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met een bepaling over het vergoeden van griffierecht – het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, waaronder ECLI:NL:CRVB:2016:2502, overwogen dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel is te achten en deze in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit laat onverlet dat in concrete gevallen sprake kan zijn van een onevenredige last als bedoeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en daarmee van een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Door ervan uit te gaan dat geen sprake is van een onevenredig zware last omdat appellant niet voldoet aan de OBR, heeft de Svb volgens de rechtbank een onjuist uitgangspunt gehanteerd. De Svb dient aan de hand van individuele feiten en omstandigheden te beoordelen of in het geval van appellant sprake is van een onevenredig zware last. De Svb heeft door dit niet te doen een onzorgvuldig onderzoek aan zijn besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten omdat niet is gesteld of gebleken van individuele feiten en omstandigheden die maken dat er in het geval van appellant sprake is van een onevenredig zware last. Ook ter zitting heeft appellant bevestigd dat hij geen financiële problemen heeft. Onder verwijzing naar de genoemde uitspraken van 18 juli 2016 heeft de rechtbank voorts overwogen dat van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is en evenmin van leeftijdsdiscriminatie.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij zich principieel verzet tegen de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verhoging van de AOW
aanvangs- en pensioengerechtigde leeftijd. Volgens appellant leidt artikel 7a van de AOW tot een ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie, wat in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet. Ook zijn door de verhoging van de AOW-leeftijd het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd waarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne. Hiertoe wordt ook verwezen naar de uitspraken van de Raad van 3 januari 2019, onder meer ECLI:NL:CRVB:2019:672. Het beroep van appellant op artikel 1 van Pro de Grondwet slaagt niet nu de Raad niet bevoegd is de bepalingen van de AOW aan artikel 1 van Pro de Grondwet te toetsen. Hierbij verwijst de Raad naar artikel 120 van Pro de Grondwet en het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (Harmonisatiewet). In de onder 2 genoemde uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad het beroep op (leeftijds)discriminatie in verband met de invoering van artikel 7a van de AOW getoetst aan artikel 14 van Pro het EVRM en geoordeeld dat het in dat artikel opgenomen discriminatieverbod niet is geschonden.
4.2.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) E. Diele