ECLI:NL:CRVB:2021:1029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening korting AOW-pensioen wegens ingezetenschap en buitenlandse verzekering
Appellant ontving een AOW-pensioen met een korting van 16% omdat hij tussen 1973 en 1982 in Canada studeerde en werkte en volgens de Sociale Verzekeringsbank (Svb) geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant was uitgesloten van AOW-verzekering vanwege zijn Canadese verzekering.
In hoger beroep stelde appellant dat het Canadese pensioen niet vergelijkbaar was met de AOW en dat de Svb onvoldoende had onderbouwd dat hij voor alle relevante takken in Canada verzekerd was. De Raad oordeelde dat de Svb onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant in Canada voor overlijden, kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid verzekerd was, waardoor de uitsluitingsgrond niet van toepassing was.
Verder bepaalde de Raad dat appellant het eerste jaar na vertrek uit Nederland nog als ingezetene moet worden beschouwd, omdat het vertrek niet definitief was. De Raad stelde de korting daarom vast op 14% in plaats van 16%, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De korting op het AOW-pensioen wordt vastgesteld op 14% in plaats van 16%, en het bestreden besluit wordt vernietigd.