ECLI:NL:CRVB:2021:1154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden als zorgverlener
Appellant ontving vanaf 20 mei 2008 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Naar aanleiding van informatie van de gemeente Leerdam stelde het UWV een onderzoek in naar werkzaamheden die appellant verrichtte voor een zorginstelling (de Stichting). Uit het onderzoek bleek dat appellant zorgactiviteiten verrichtte zonder dit aan het UWV te melden, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond.
Het UWV herzag de WIA-uitkering over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2017 en vorderde €35.952,97 aan onverschuldigd betaalde uitkering terug. Tevens legde het UWV een boete van €5.400 op, die later werd verlaagd naar €3.612,96 wegens draagkracht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het bewijs rechtmatig was verkregen en dat de schatting van het UWV van de inkomsten redelijk was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, dat zijn werkzaamheden vrijwilligerswerk waren en dat de inkomsten niet aan hem konden worden toegerekend. De Raad oordeelde dat de toezichthouder bevoegd was de gegevens te verstrekken, dat de werkzaamheden in het economisch verkeer waren verricht en dat appellant als enig bestuurder van de Stichting de inkomsten kon worden toegerekend. De Raad bevestigde de herziening, terugvordering en boete en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV tot herziening, terugvordering en boete worden bevestigd.