Uitspraak
19.2729 WLZ
CIZ
.Namens appellanten is [naam 2] verschenen, bijgestaan door [naam 1] . CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en mr. J.E. Koedood.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 24 mei 2019 inzake de ingangsdatum van een Wlz-indicatie voor een betrokkene met dementie. Het CIZ had de indicatie vastgesteld op 23 november 2016, met coulance de ingangsdatum op 27 oktober 2016 gezet. Appellanten voerden aan dat de ingangsdatum op de dag van zorgbehoefte moest worden gesteld.
De Raad oordeelt dat noch het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), noch het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) een recht geven op een ingangsdatum die samenvalt met de dag van zorgbehoefte. Ook de Beleidsregels langdurige zorg bieden hiervoor geen steun. Wel is geoordeeld dat het CIZ ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarprocedure, hetgeen in strijd is met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de gehele procedure met circa een half jaar is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,- aan appellanten. Deze overschrijding wordt volledig toegerekend aan de Staat. De Raad veroordeelt zowel het CIZ als de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
De uitspraak bevestigt de wettelijke kaders rond indicatiestelling en benadrukt de verplichting van bestuursorganen tot vergoeding van proceskosten bij tegemoetkoming in bezwaar, alsmede de aansprakelijkheid voor overschrijding van redelijke termijnen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, proceskosten en schadevergoeding worden toegekend, en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de proceskosten betreft.