ECLI:NL:CRVB:2021:1443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ouderdomspensioen tweede echtgenote op grond van NMV en AOW-regels
Appellante, tweede echtgenote van een overleden man, had een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend gekregen, maar dit pensioen werd later ingetrokken door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Appellante voerde aan dat zij als eerste echtgenote moest worden aangemerkt en dat sprake was van duurzaam gescheiden leven van de eerste echtgenote, waardoor zij aanspraak zou maken op het pensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die herziening van het besluit rechtvaardigen. Tevens is vastgesteld dat appellante op grond van het Nederlands-Marokkaans Verdrag (NMV) geen zelfstandige aanspraak heeft op het ouderdomspensioen, omdat zij niet de eerste echtgenote was en zich niet vrijwillig had verzekerd.
De Raad verwierp het betoog van appellante dat zij gelijkgesteld moest worden aan de eerste echtgenote vanwege duurzaam gescheiden leven. Het begrip huwelijk in het NMV wordt uitgelegd als het huwelijk naar burgerlijk recht, waarbij de situatie van polygamie niet anders wordt beoordeeld. De gelijkstelling van duurzaam gescheiden leven geldt uitsluitend voor de AOW en niet voor het NMV.
Daarmee is het bestreden besluit dat het ouderdomspensioen intrekt niet onredelijk of onjuist, en de intrekking blijft gehandhaafd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het beroep van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het ouderdomspensioen van appellante en wijst het beroep af.