ECLI:NL:CRVB:2021:1453
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing ontheffing werkzaamheden en niet tijdig beslissen afgewezen
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar en tegen het besluit van 16 maart 2020 van de korpschef van politie, waarin haar aanvraag om ontheffing van werkzaamheden werd afgewezen. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar moest nemen met een correcte motivering.
In het bestreden besluit handhaafde de korpschef de afwijzing omdat op de peildatum 1 juni 2017 geen herplaatsingskandidaat geschikt was om de formatieplaats van appellante in te nemen. De korpschef baseerde zich op een overzicht van het Landelijk Mobiliteitscentrum waarin per kandidaat werd toegelicht waarom plaatsing niet passend was.
Appellante voerde aan dat de motivering onvoldoende was, dat sommige kandidaten mogelijk wel passend gemaakt konden worden door scholing, en dat ten minste één kandidaat haar functie had kunnen overnemen. De Raad overwoog dat het onderzoek van de korpschef niet hoeft te leiden tot het aanbieden van functies aan kandidaten die al in trajecten zaten met zicht op andere plaatsing en dat de motivering voldoende is gegeven.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat inmiddels een reëel besluit is genomen en een dwangsom is toegekend. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De korpschef wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50.
Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, beroep tegen besluit ongegrond, schadevergoeding afgewezen, korpschef veroordeeld in proceskosten.