Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
(primair besluit I) en van 1 december 2018 tot en met 30 september 2019 herzien en teruggevorderd (primair besluit II).
Overwegingen
Herziening
Bijschrijvingen en stortingen:
Verblijf in het buitenland
De terugvordering
Verweerder heeft ook terecht het totaalbedrag van €1.215,43 gebruteerd. Weliswaar is een deel van de vordering verrekend met het vakantiegeld, zoals besproken ter zitting, maar dit is verrekend in 2020 terwijl de vordering in 2018 is ontstaan. Daarmee is (een gedeelte van) de vordering niet al voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.
Conclusie en gevolgen