Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf september 2018. Na een huisbezoek in augustus 2019 concludeerde de minister dat appellant niet op het geregistreerde adres woonde en herzag de studiefinanciering, waarbij hij als thuiswonend werd aangemerkt en een bedrag van € 2.504,16 werd teruggevorderd. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening en de boete, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de herziening deels niet-ontvankelijk wegens vermeende termijnoverschrijding en oordeelde dat appellant niet woonde op het adres. De Centrale Raad van Beroep kwam terug op het oordeel over de ontvankelijkheid, oordeelde dat de berichten op Mijn DUO rechtsgevolg hebben en als besluiten in de zin van de Awb moeten worden beschouwd.
De Raad stelde vast dat de minister voldoende bewijs had geleverd dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs, mede door het ontbreken van persoonlijke spullen tijdens het huisbezoek. Verder was geen nader onderzoek nodig. De Raad verklaarde het beroep tegen de herziening ongegrond, bevestigde het oordeel over de boete en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellant.