Appellant, voormalig werknemer via een uitzendbureau en eigenrisicodrager, viel uit wegens rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na beëindiging van de ZW-uitkering vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV kende deze toe en stelde dat de ex-werkgever voldoende re-integratieinspanningen had geleverd, waardoor geen ziekengeldsanctie werd opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees zijn schadeverzoek af. Appellant stelde in hoger beroep dat de re-integratie-inspanningen van de ex-werkgever onvoldoende waren, met name dat er geen adequaat spoor 1-traject was en dat de re-integratie onterecht werd stopgezet.
De Centrale Raad oordeelde dat de ex-werkgever niet voldoende inspanningen had verricht in spoor 1 en gedurende het eerste ziektejaar. De motivering van het UWV om geen ziekengeldsanctie op te leggen was onvoldoende. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het besluit van 19 augustus 2016 werd herroepen voor zover het de ziekengeldsanctie betreft. Het onderzoek naar schadevergoeding wordt heropend en het UWV wordt veroordeeld in de kosten van appellant.