ECLI:NL:CRVB:2021:2431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Wajong-uitkering bij erfelijke progressieve aandoening en eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Betrokkene heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, maar het UWV wees deze af omdat betrokkene op zijn 17e en 18e verjaardag niet ziek was en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 april 2014 lag, na zijn 18e verjaardag. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene al op zijn 18e beperkingen had, mede vanwege de diagnose bij zijn zusje, maar de Centrale Raad van Beroep stelt dat eerst moet worden vastgesteld of er nieuwe feiten zijn die dat aannemelijk maken.
Het UWV heeft de aanvraag van 2019 terecht als herhaalde aanvraag aangemerkt en de nieuwe medische stukken leiden niet tot een andere conclusie over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De Raad volgt het UWV in zijn standpunt dat de erfelijkheid van de aandoening niet automatisch betekent dat betrokkene al op zijn 18e beperkingen had. De medische informatie toont geen aanwijzing dat betrokkene op zijn 18e verjaardag beperkingen ondervond.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek van betrokkene om terug te komen op eerdere besluiten wordt afgewezen omdat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn en niet onjuist blijken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV tot afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard.