Uitspraak
20.1505 WAJONG
6 maart 2020, 19/2035 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een Wajong-uitkering en huurde een woning waarin op 27 september 2017 een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het UWV stelde op basis van politieprocessen-verbaal en een rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel vast dat appellant tussen 1 mei en 27 september 2017 inkomsten uit deze hennepteelt had. Het UWV stelde daarom de uitkering over die periode op nihil en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant als huurder van de woning mede-eigenaar van de kwekerij was en dat de opbrengst hem ten goede kwam. Appellant kon dit niet met concrete, verifieerbare gegevens weerleggen en had zijn inlichtingenplicht geschonden door de kwekerij niet te melden. Het UWV mocht de inkomsten schattenderwijs vaststellen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen dat hij niet wist van de kwekerij en dat hij de woning met toestemming aan zijn broer had onderverhuurd. Hij voerde bewijsnood en onschuldpresumptie aan. De Raad verwierp deze gronden omdat appellant geen overtuigend bewijs leverde, geen verklaring van de verhuurster over onderverhuur overlegde en geen bankafschriften toonde. De onschuldpresumptie faalde omdat de bestuursrechtelijke bewijsstandaard lager is dan in strafzaken.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de uitkering terecht was ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering bevestigd.