ECLI:NL:CRVB:2021:2471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/1505 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMHoofdstuk 3 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Wajong-uitkering wegens aanwezigheid hennepkwekerij in huurwoning

Appellant ontving een Wajong-uitkering en huurde een woning waarin op 27 september 2017 een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het UWV stelde op basis van politieprocessen-verbaal en een rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel vast dat appellant tussen 1 mei en 27 september 2017 inkomsten uit deze hennepteelt had. Het UWV stelde daarom de uitkering over die periode op nihil en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant als huurder van de woning mede-eigenaar van de kwekerij was en dat de opbrengst hem ten goede kwam. Appellant kon dit niet met concrete, verifieerbare gegevens weerleggen en had zijn inlichtingenplicht geschonden door de kwekerij niet te melden. Het UWV mocht de inkomsten schattenderwijs vaststellen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen dat hij niet wist van de kwekerij en dat hij de woning met toestemming aan zijn broer had onderverhuurd. Hij voerde bewijsnood en onschuldpresumptie aan. De Raad verwierp deze gronden omdat appellant geen overtuigend bewijs leverde, geen verklaring van de verhuurster over onderverhuur overlegde en geen bankafschriften toonde. De onschuldpresumptie faalde omdat de bestuursrechtelijke bewijsstandaard lager is dan in strafzaken.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de uitkering terecht was ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitspraak

20.1505 WAJONG

Datum uitspraak: 7 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 maart 2020, 19/2035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.S. Kessel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Voor appellant is mr. Kessel is verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
1.2.
Op 27 september 2017 heeft de politie Rotterdam in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft een themaonderzoeker en toezichthouder van de Directie Handhaving van het Uwv een nader onderzoek ingesteld en heeft een gesprek plaatsgevonden met appellant. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 juli 2018. Gelet op de processen-verbaal van de politie van 27 september 2017 en het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” van de politie van 12 november 2017 (het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel) heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 mei 2017 tot en met 27 september 2017 inkomsten heeft gehad uit hennepteelt van in totaal € 37.449,75.
1.3.
Bij besluit van 11 september 2018 heeft het Uwv in verband met deze inkomsten de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2017 tot en met 27 september 2017 alsnog op nihil gesteld en een bedrag van € 6.136,63 bruto aan over deze periode onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 12 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 september 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de hennepkwekerij in de door hem gehuurde woning en de eventuele inkomsten die hij hieruit heeft ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant ten tijde van de exploitatie van de hennepkwekerij huurder was van de woning waarin deze zich bevond. Dit rechtvaardigt volgens de rechtbank de veronderstelling dat appellant (mede)eigenaar van de hennepkwekerij is geweest en dat de opbrengst hem ook ten goede is gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant tegenover de onderzoeksbevindingen in het rapport van het Uwv van 18 juli 2018 geen overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens heeft gesteld waaruit blijkt dat hij de hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en daaruit in het geheel geen inkomsten heeft ontvangen. Zijn stellingen dat er slechts een verdenking tegen hem bestond, er ook andere verdachten waren, hij niet is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en hij niet zelf in de woning woonde maar deze ter beschikking had gesteld aan zijn broer, zijn daartoe onvoldoende. Door geen melding te maken van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in zijn huurwoning heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden. Appellant heeft geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn inkomen verstrekt. De omstandigheid dat appellant geen andere gegevens over zijn inkomen kan overleggen, komt voor zijn risico. Het Uwv was bevoegd de inkomsten uit de hennepkwekerij op basis van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel schattenderwijs vast te stellen. Het Uwv was verplicht de Wajong-uitkering over de periode van 1 mei 2017 tot en met 27 september 2017 in te trekken en de onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering over deze periode terug te vorderen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij niet wist van de hennepkwekerij in zijn huurwoning, dat hij deze niet exploiteerde en dat de opbrengst hem niet (mede) ten goede is gekomen. Hij had de woning met toestemming van de verhuurster aan zijn broer onderverhuurd terwijl hij zelf bij zijn vriendin woonde. Volgens appellant is sprake van bewijsnood omdat hij dit niet kan bewijzen en hij ook niet kan bewijzen dat hij geen inkomsten had naast zijn Wajong-uitkering. Tot slot heeft appellant een beroep gedaan op de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie de strafzaak tegen hem heeft geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit steunt, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:578).
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij (mede-)eigenaar van de hennepkwekerij was en dat de opbrengst daarvan ook hem ten goede is gekomen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellant deze vooronderstelling niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft weerlegd. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv bevoegd was de inkomsten van de hennepteelt op basis van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel schattenderwijs vast te stellen, omdat de gevolgen van het ontbreken van concrete en verifieerbare gegevens over zijn inkomen voor risico van appellant komen. Er is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.
4.4.
Het standpunt van appellant dat hij in bewijsnood verkeert, slaagt niet. Appellant heeft om hem moverende redenen afgezien van het opvragen en/of overleggen van concrete en verifieerbare gegevens waarover hij wel beschikte of had kunnen beschikken en die (een begin van) bewijs hadden kunnen zijn van zijn stellingen dat hij niet wist van de hennepkwekerij, dat hij de woning met toestemming van de verhuurster aan zijn broer had onderverhuurd en dat hij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft gehad. Appellant heeft geen verklaring van de verhuurster overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn woning in deze periode met haar toestemming aan zijn broer had onderverhuurd. Appellant heeft tegenover de politie en het Uwv voorts niet willen verklaren over de identiteit van de persoon (‘ [X] ’) die met zijn broer in de woning verbleef en waarvan hij gedurende een deel van de in geding zijnde periode naar zijn zeggen de (onder)huur ontving. Daarnaast heeft appellant niet willen verklaren over de verblijfplaats van zijn broer. Ten slotte heeft appellant geen bankafschriften overgelegd waaruit zijn (naar zijn zeggen: niet afwijkende) uitgavenpatroon had kunnen blijken. Anders dan appellant meent lag het niet op de weg van het Uwv hier nader onderzoek naar te doen. Zoals onder 4.3 is overwogen, is in de onderhavige situatie sprake van een bewijsvermoeden (vooronderstelling) en is het aan appellant om dit bewijsvermoeden te weerleggen met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens. Het enkele feit dat appellant in de periode in geding in de Basisregistratie personen op een ander woonadres was ingeschreven is onvoldoende om de vooronderstelling, dat appellant uit de exploitatie van de hennepkwekerij in de door hem gehuurde woning inkomsten heeft genoten zoals berekend in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, te weerleggen.
4.5.
Het beroep van appellant op de onschuldpresumptie slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1384) kan de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich in een voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure, ook indien een strafrechtelijke procedure niet is voortgezet in verband met een sepot. Ter zitting is door de gemachtigde van appellant verklaard dat de officier van justitie de strafzaak tegen appellant op 21 april 2020 heeft geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. Echter, niet is gebleken van welk strafbaar feit, waarop het sepot ziet, appellant aanvankelijk op grond van de Opiumwet werd verdacht. Evenmin is gebleken wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om in het geval van appellant over te gaan tot een sepot wegens gebrek aan bewijs. In het algemeen geldt dat de officier van justitie om verschillende redenen tot een sepot kan besluiten. Dat het in dit geval zou kunnen gaan om bewijsproblemen bij het strafrechtelijk vereiste van ‘opzet’ is niet uit te sluiten. In dit verband is van belang dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot intrekking van een Wajong-uitkering is slechts vereist dat aannemelijk is dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat onder deze omstandigheden het beroep van appellant op de onschuldpresumptie niet slaagt en dat derhalve geen sprake is van schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht het Uwv heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in zijn huurwoning. Het Uwv was gehouden de uitbetaling van de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2017 tot en met 27 september 2017 op nihil te stellen en een bedrag van € 6.136,63 bruto aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering over deze periode van appellant terug te vorderen.
4.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2021.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) V.M. Candelaria