Appellante werkte als medewerkster concernadministratie en control en meldde zich in 2009 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 2011 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, later vastgesteld op 50%. Werkgeefster maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarna de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op circa 59%. Appellante stelde zich op het standpunt dat zij voor 50% geschikt was voor haar eigen werk, maar het UWV en werkgeefster achtten haar volledig ongeschikt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV haar beperkingen onjuist had vastgesteld en dat zij belemmerd werd in haar re-integratiemogelijkheden. De Raad onderzocht of appellante voldoende procesbelang had, gelet op het feit dat zij de WIA-uitkering accepteerde en het ontslag definitief was geworden.
De Raad oordeelde dat appellante geen financieel belang meer had en dat het resultaat van een eventuele geschiktheidsverklaring voor 50% feitelijk geen betekenis meer had vanwege het definitieve ontslag. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voldoende procesbelang. De procedure werd zonder veroordeling in de proceskosten gesloten.