ECLI:NL:CRVB:2021:2596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering omzetting BBZ-lening in bedrag om niet wegens onvoldoende inkomensinformatie
Appellanten exploiteerden een klein loonbedrijf en plantenkwekerij en vroegen in 2010 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college verstrekte een lening van € 80.000,- met rente. Later ontstond betalingsachterstand, waarna het college de lening terugvorderde wegens niet-nakoming. Appellanten verzochten om omzetting van de lening in een bedrag om niet en om rentereductie, waarvoor het netto-inkomen over de jaren 2009 tot en met 2012 moest worden vastgesteld.
Het college weigerde dit omdat appellanten onvoldoende informatie hadden verstrekt om het netto-inkomen vast te stellen. De Raad bevestigde dit standpunt, omdat de overgelegde stukken voornamelijk concept-jaarcijfers betroffen en belangrijke belastingaangiften en toelichtingen ontbraken. Ook waren er discrepanties tussen fiscale en commerciële cijfers en ontbraken specificaties van posten in de jaarrekeningen.
De Raad oordeelde dat voor de omzetting van de lening het netto-inkomen volgens het inkomensbegrip van de Participatiewet moet worden vastgesteld, waarbij de fiscale winst niet doorslaggevend is. Omdat appellanten onvoldoende gegevens hadden aangeleverd, kon het college niet vaststellen dat het netto-inkomen lager was dan de jaarnorm. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van omzetting van de BBZ-lening in een bedrag om niet bevestigd.