ECLI:NL:CRVB:2021:2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding gokactiviteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege vermoedelijke gokactiviteiten die niet waren gemeld. Uit bankafschriften bleek dat appellant meerdere opnames bij gokinstellingen had gedaan, wat volgens vaste rechtspraak duidt op het verrichten van gokactiviteiten. Het college trok de bijstand over de periode december 2017 tot en met november 2018 in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Appellant voerde aan dat hij niet wist dat hij gokactiviteiten moest melden en ontkende het gokken, maar deze gronden werden verworpen. De Raad oordeelde dat het kenbaarheidsvereiste is vervuld en dat het college niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht. Het ontbreken van inzicht in de omvang van de gokactiviteiten maakte vaststelling van het recht op bijstand onmogelijk.
Ook het beroep op onevenredigheid van de terugvordering faalde, omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat hij recht had op aanvullende bijstand bij correcte nakoming van de inlichtingenplicht. De Raad concludeerde dat de intrekking en terugvordering terecht zijn en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van gokactiviteiten worden bevestigd.