ECLI:NL:CRVB:2021:2665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering toeslag wegens niet melden wijziging leefsituatie
Appellante ontving vanaf 1999 een WAZ-uitkering en vanaf 2007 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naar de norm van gehuwden. Het UWV constateerde in een onderzoek dat appellante wijzigingen in haar leefsituatie niet had gemeld, terwijl zij sinds 2010 gescheiden was. Hierdoor kon het UWV het recht op toeslag niet juist vaststellen.
Het UWV trok het recht op toeslag over de periode van 21 april 2010 tot 1 januari 2017 in en vorderde de onverschuldigd betaalde toeslag van €74.164,42 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij haar wijziging in leefsituatie tijdig had doorgegeven. Ook de stelling dat zij contant huur betaalde werd niet met verifieerbare stukken onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar adreswijziging en ongehuwde status wel had gemeld en dat het UWV haar medische situatie onvoldoende had meegewogen. De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht op appellante rustte en dat het UWV geen directe inzage heeft in andere overheidsgegevens. Het sepot van het strafrechtelijk onderzoek naar de inlichtingenplicht doet hieraan niet af. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de toeslag wegens het niet melden van wijzigingen in de leefsituatie.