ECLI:NL:CRVB:2021:433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet nakomen medewerkingsverplichting ondanks psychische beperkingen
Appellant ontving sinds 2007 bijstand en werd in 2018 opgeroepen voor gesprekken in het kader van een regulier onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn uitkering. Hij verscheen op 1, 8 en 17 augustus 2018 zonder bericht van verhindering niet op deze gesprekken, waarop het college het recht op bijstand opschortte en uiteindelijk introk.
Appellant stelde dat zijn psychische beperkingen en de hulp van zijn broers, die verantwoordelijk waren voor het openen van zijn post, hem geen verwijt konden worden gemaakt. De Raad oordeelde dat het niet verschijnen voor de gesprekken een schending van de medewerkingsverplichting was en dat het handelen van de belangenbehartiger aan appellant werd toegerekend.
Het college had appellant ruim van tevoren opgeroepen en extra hersteltermijnen verleend. De Raad concludeerde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet nakomen van de medewerkingsverplichting wordt bevestigd.