ECLI:NL:CRVB:2021:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepdrogerij in woning appellante
Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand en werd geconfronteerd met een intrekking en terugvordering van bijstand over mei 2018 nadat op 16 mei 2018 een hennepdrogerij met bijna 6 kilogram hennep in haar woning werd aangetroffen. Het college stelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de hennepdrogerij niet te melden en geen administratie te voeren, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellante voerde aan dat zij geen inkomsten had genoten omdat de hennep nog niet droog was en dat het recht op bijstand schattenderwijs vastgesteld kon worden op basis van de waarde van twee flesjes hennepolie. Deze gronden faalden omdat het exploiteren van een hennepdrogerij wordt aangemerkt als het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, ongeacht daadwerkelijke inkomsten, en appellante wisselende verklaringen gaf over het mogen houden van hennep.
Appellante stelde ook dat er dringende redenen waren om terugvordering achterwege te laten vanwege haar fysieke en mentale gezondheid, maar dit werd niet aanvaard omdat de omstandigheden niet het gevolg waren van het besluit tot terugvordering. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat terugvordering verplicht is op grond van de Participatiewet.
De Raad concludeert dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, en dat er geen gronden zijn om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; intrekking en terugvordering bijstand over mei 2018 bevestigd wegens schending inlichtingenverplichting en ontbreken recht op bijstand.