ECLI:NL:CRVB:2021:558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAZO-uitkering wegens gefingeerd dienstverband met B.V.
Appellante had een WAZO-uitkering ontvangen op grond van een vermeend dienstverband met een B.V. Het UWV voerde na een intern onderzoek aan dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en trok de uitkering per 5 december 2017 in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende objectief bewijs leverde dat er wel een dienstverband bestond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk werkzaam was geweest en dat de stukken die zij overlegde dit aantonen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstverband was en dat appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens het tegendeel had bewezen.
De Raad hechtte zwaar aan het onderzoeksrapport en de verklaring van appellante uit juni 2018, die niet werd weerlegd met concrete gegevens. De overgelegde facturen, betalingsbewijzen en salarisspecificaties waren niet verifieerbaar en konden niet als bewijs gelden. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht had op de WAZO-uitkering.
De uitspraak werd gedaan door J. Brand en uitgesproken op 11 maart 2021. Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WAZO-uitkering heeft ingetrokken wegens het ontbreken van een dienstverband.